Hoge Raad bevestigt faillissementsfraude, maar verlaagt straf wegens termijnoverschrijding
Hoge Raad bevestigt faillissementsfraude, maar verlaagt straf wegens termijnoverschrijding
📌 Samenvatting
De Hoge Raad der Nederlanden oordeelde op 10 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:894) over een zaak van faillissementsfraude door een bestuurder van twee rechtspersonen.
De verdachte had als bestuurder nagelaten een deugdelijke administratie te voeren en had bovendien activa aan de faillissementsboedel onttrokken. Het gerechtshof had hem hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 maanden.
In cassatie klaagde de verdachte onder meer over:
- het bewijs van opzet bij het niet voeren van administratie,
- zijn rol bij het onttrekken van goederen aan de boedel,
- en de strafmotivering.
De Hoge Raad verwerpt deze klachten zonder inhoudelijke motivering (art. 81 RO), wat betekent dat de klachten juridisch niet relevant genoeg zijn voor verdere uitleg.
Wel slaagt de klacht over de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie. De stukken waren te laat ingezonden, wat in strijd is met artikel 6 EVRM. Daarom wordt de straf verminderd van 22 naar 21 maanden gevangenisstraf.
👉 De veroordeling blijft dus inhoudelijk in stand, maar de straf wordt licht verlaagd vanwege procedurele vertraging.
⚖️ Belang van de uitspraak
Deze uitspraak bevestigt opnieuw dat:
- bestuurders strafrechtelijk aansprakelijk zijn bij het niet naleven van administratieplichten in faillissement,
- het “opschonen” van boekhouding kan worden gezien als onttrekking aan de boedel,
- en dat ook in cassatie de redelijke termijn strikt wordt bewaakt met strafvermindering als gevolg.